Citaten van Zuster Faustina

De
citaten zijn afkomstig uit het dagboek van zuster Faustina het nummer tussen
haakjes geeft het geciteerde artikel weer, de vetgedrukte tekst zijn de woorden
die Jezus tot Zr. Faustina sprak.
De mensheid zal geen vrede kennen totdat zij zich met vertrouwen tot Mijn
Barmhartigheid wendt (300)
Verkondig dat de voornaamste eigenschap vanGod barmhartigheid is. Alle
werken van Mijn Handen worden door barmhartigheid gekroond (301)
Middenin de beproevingen wil ik proberen de liefdevolle hand van God te
zien. Niets is zo voortdurend aanwezig als lijden. Het houdt de ziel altijd
trouw gezelschap. O, Jezus, ik zal mij door niemand in het liefhebben van U
laten overtreffen. (227)
Gedurende deze ogenblikken ervaar ik de grootheid van God en mijn eigen
ellende. Op een keer ze Jezus tegen mij: 'Sta er niet verwonderd over dat je
soms onrechtvaardig beschuldigd wordt. Ik dronk deze beker van onverdiend
lijden als eerste uit liefde voor jou Mijn gelukkigste ogenblikken zijn
wanneer ik alleen ben met mijn Heer..” (289)
...Mijn hart loopt over van grote
barmhartigheid voor de zielen en in het bijzonder vooar arme zondaren. Als zij
slechts zouden kunnen begrijpen dat Ik de allerbeste Vader voor hen ben en dat
het voor hen is dat het bloed en water uit Mijn hart vloeide als uit een bron
die overloopt van barmhartigheid. Voor hen woon ik in het tabernakel als de
Koning van barmhartigheid. Ik wens Mijn gednaden aan de zielen te verlenen,
maar ze willen ze niet aanvaarden. Kom jij tenminste zo vaak je kan naar Mij
toe en neem die genaden aan die zij niet willen accepteren. Op die maniier zul
je Mijn hart troosten. O, hoe onverschillig zijn de zielen voor zoveel
goedheid, voor zoveel bewijzen van liefde!...(367)
Gebed. Een ziel wapent zichzelf door middel
van gebed voor alle soorten strijd. In wat voor toestand de ziel zich ook mag
bevinden, ze behoort te bidden. Een ziel die mooi en zuiver is moet bidden of
anders zal ze haar schoonheid verliezen. Een ziel die deze zuiverheid
nastreeft, moet bidden of anders zal ze die nooit bereiken. Een ziel die pas
bekeerd is, moet bidden of anders zal ze opnieuw vallen. Een zondige ziel die
zich in de zonde gestort heeft, moet bidden opdat ze zich weer zou mogen
oprichten. Er is geen ziel die niet moet bidden, want iedere afzonderlijke
genade komt tot de ziel door gebed (146).